Josephus Christianus Knijf 24 jaar
Geboren 27 december 1919 Wijchen
Overleden 22 februari 1944 te Nijmegen
Woonplaats ten tijde van overlijden: Meelbesstraat 13 te Wijchen (B 436).
Begraven op het Rooms Katholieke kerkhof van de Sint-Antoniuskerk te Wijchen
Bron: Ria Graauwmans – Tijsse-Klasen (kleindochter van Marie Derks de halfzus van Jo) en Janny Rikken-Toonen (dochter van Miem)
Jo Knijf, zoon van Josephus Knijf en Gerarda Hendrina Jansen,
Jo had 6 halfbroers en zussen. Zijn moeder was op 22 september 1899 getrouwd met Johannes Theodorus Derks. Ze was toen reeds vier maanden zwanger van haar eerste kindje.
- Theodorus Johannes Derks (Theo) 06-04-1900
- Anna Maria Derks (Marie) 04-06-1902 overleden 07-10-1979 (77 jaar)
- Berthus Derks 25-06-1904
- Johanna Derks (Anna) 19-05-1906
- Geertruida Derks (Truus) 05-01-1908
- Johannes Derks (Jan) 29-06-1911 overleden 12-02-1939 (27 jaar)
De eerste man van Jo’s moeder overlijdt op 23 november 1911 waardoor ze met zes jonge kinderen achterblijft. Ze leert Johannes Knijf kennen in Nijmegen, hij heeft gediend in Nederlands-Indië. Ze worden verliefd, trouwen op 13 januari 1919 en stichten een gezin in Wijchen. Nog hetzelfde jaar wordt op 27 december Jo geboren.
Het gezin van Josephus Knijf bestaat dan uit zeven kinderen. Van Jo als opgroeiend kind is alleen bekend dat hij niet over zich heen liet lopen, hij kwam voor zichzelf op als dat nodig was. De moeder van Jo overlijdt op 24 september 1934, Jo is dan 14 jaar. Amper 11 maanden later op 2 augustus 1935 hertrouwt de vader van Jo met Gerardina Megchelina Smits uit Wijchen. Een vrouw die in Wijchen een niet al te beste naam had. Zij gedraagt zich t.o.v. Jo als een echte slechte stiefmoeder en zijn vader grijpt niet in. Marie de halfzus van Jo die dit niet aan kan zien neemt hem uit mededogen in huis. Marie heeft drie kinderen. De oudste, Jan, is de vader van Ria Graauwmans – Tijsse-Klasen (bron). Jan is vijf jaar jonger dan Jo.
- Marie Tijsse – Klasen-Derks de halfzus van Jo (bij haar en haar gezin heeft Jo tot aan zijn dood gewoond)
- Jo Knijf (15 jaar)
- Adrianus Kors Hofmans (zwager van Marie)
- Jan Tijsse-Klasen (9 jaar) zoon van Marie en de vader van Ria Graauwmans – Tijsse-Klasen (bron)
Wanneer Jo zestien jaar is raakt hij tijdens het zwemmen in de Wetering gewond aan zijn voet. Tijdens het duiken in het water komt hij terecht op een zeis die daar door een boer gedumpt is. Met zijn voet is het nooit helemaal goed gekomen met als gevolg dat Jo wordt afgekeurd voor militaire dienst. Wellicht achteraf maar goed ook aangezien de Tweede Wereldoorlog voor de deur stond. Wanneer Jo 20 jaar is vallen de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnen.
Jo werd kapper en vond een baan in Gendt. Hij had sinds 1938 verkering met Miem Verkooijen. De familie Verkooijen had het niet breed je kunt zelfs spreken van armoede. Miem woonde vlak achter de familie Derks en leerde zo Jo kennen in 1943 verloofden ze zich. Jo die het zelf ook niet breed had besloot om bij zijn familie goud te verzamelen. Vaak waren dat kleine gouden onderdeeltjes uit b.v. een brillenmontuur. Toen Jo genoeg goud bij elkaar had bracht hij dit naar een goudsmid in Nijmegen om hier twee trouwringen van te laten maken.
Toen de ringen klaar waren moesten ze nog gepast worden alvorens ze mee te kunnen nemen. Afgesproken werd om elkaar rond half twee op 22 februari 1944 te ontmoeten op het stationsplein in Nijmegen, om van daaruit samen naar de goudsmid te gaan. Terwijl Miem nog met de bus onderweg was naar Nijmegen stond Jo al te wachten op het stationsplein. Hij kwam een collega tegen met wie hij in afwachting van Miem’s bus een praatje maakte. De bus van Miem had vertraging opgelopen omdat er nog brandstof geladen moest worden ook de bus voor Miem had hierdoor vertraging. Toen deze bus het stationsplein op reed dacht Jo dat dit de bus van Miem was en liep de bus tegemoet. Juist op dat moment barstte de hel los.
De bus kreeg een voltreffer en doodde iedereen in de bus. Ook Jo die inmiddels bij de bus was aangekomen overleed ter plekke. De buschauffeur van de bus waarin Miem zat zag de luchtaanval op Nijmegen gebeuren en stopte zijn bus ter hoogte van de Teersdijk net buiten Alverna. Miem was zich op dat moment nog niet bewust dat haar toekomstige man op dat moment in Nijmegen het leven liet. De collega van Jo die het bombardement overleefd had heeft later dit verhaal over Jo verteld aan Miem.
Als Jo niet naar de bus was gelopen had hij het bombardement net als zijn collega wellicht overleefd. Nadat Miem op de hoogte was gebracht dat Jo vermist was is zij zeven dagen lang met haar broer Ben naar Nijmegen gefietst om op de slachtofferlijsten te kijken of de naam van Jo hierop stond, iets wat op dag zeven helaas werkelijkheid werd.
Jan Tijsse-Klasen de zoon van Marie, nr 4 op de trouwfoto, en inmiddels 18 jaar oud was gelegerd in Barakkenkamp Lage Mierde (NAD 434) en kreeg met zijn eenheid op 22 februari 1944 opdracht om zich gereed te maken voor vertrek naar Nijmegen. Om 01.00 uur waren ze zover en gezeten achter in een open vrachtwagen met een houtkachel als motor ging het met 40 kilometer per uur richting Nijmegen. Het was erg koud, het was rond het vriespunt waardoor de rit extra zwaar was. Edoch na vier uur rijden bereikte zijn konvooi Nijmegen.
Jan vertelt (dagboek);
“De ravage die wij aantroffen is met geen pen te beschrijven, er woedde veel felle branden, die door de brandweer; ondanks de hulp van korpsen uit de omliggende gemeenten, bijna niet onder controle te krijgen waren.
Op een plek ergens in de buurt van Kronenburgerpark moesten de auto’s achtergelaten worden en ging het te voet verder de Hezelstraat in, maar door het bluswater dat van bovenaf de straat ingelopen was en daar bevroren, was de straat in een ijsbaan veranderd. Op handen en voeten zijn we toen naar boven gekomen. Ter hoogte van de Grote Markt, ergens in een hele grote kelder, hebben we ons bivak opgeslagen. De materialen, die we ook nog meegesleept hadden, werden daar achtergelaten.
Men stond waarschijnlijk al op ons te wachten, want we werden meteen in groepjes van vier opgesplitst en ieder groepje kreeg een politieagent of in ieder geval iemand mee die bewapend was, om de wacht te houden bij huizen die gebombardeerd waren om deze te beschermen tegen plunderaars. Zo ondervind je nog eens waar mensen toe in staat zijn; dingen stelen van mensen die al bijna alles kwijt zijn. Onvoorstelbaar maar toch gebeurt.
Ik hield de wacht bij een huis, waar al die tijd dat ik er stond de telefoon rinkelde. Dat is na een tijdje echt niet leuk meer. Wij stonden op een afstand van z’n 25 meter van elkaar en elke vijfde man was dus bewapend, maar desondanks voelde ik mij niet zo op mijn gemak. Na een uur of vier werden wij opgehaald om in die kelder iets te eten. We waren tot op het bot koud en hadden honger als een wolf. Na het eten en een korte rust, werd ik ingedeeld bij de groep die aan de Graafseweg, op het Algemene Kerkhof grafkuilen moest maken. Andere groepen gingen puinruimen of andere dingen doen, sommige jongens hebben nog ingangen van schuilkelders puinvrij gemaakt en zo groepjes mensen uit hun benarde positie kunnen bevrijden. Dat was voor hun natuurlijk wel een dankbare taak.
Voor eten werd gezorgd door wat men de gaarkeuken noemde. Tijdens het eten werd er ook even gerust en dan had je even tijd om ook eens om je heen te kijken, maar de ellende was vaak bijna niet om aan te zien en hoeveel tranen er dan geschreid worden…onbeschrijfelijk! Tegen de avond werden wij weer opgehaald om te eten. Dat was in de kelder onder het politiebureau in de Ridderstraat en niet de kelder waar wij eerder waren, maar misschien vergis ik me wel daarin; alles was zo chaotisch, ik weet dat niet meer zo zeker.
Wat ik wel weet, is dat we na een poosje gerust te hebben, bij de invallende duisternis weer op wacht gezet werden. Eerst in een straat, die ik helemaal niet kende en heel laat in de avond in de Molenstraat. In een zijstraat van deze Molenstraat zou ergens onder het puin van een café een ‘blindganger’ liggen; gevaarlijk terrein dus. Heel laat in de avond wilden een paar dronken Duitse soldaten toch dat straatje in, nou veel tegenstand hebben wij ze niet geboden, maar er is goddank niets gebeurd. De rest van de avond en nacht kan ik mij niet zo goed voor de geest halen. Van de slaap stonden wij op onze benen te waggelen. Maar nadat we ’s morgens, na ons gewassen te hebben, van een stevig ontbijt hadden genoten en ook nog de zon ging schijnen, zijn we weer met goede zin aan de massagraven op het Algemene Kerkhof begonnen. In het begin van de middag hadden wij het karwei met vereende krachten geklaard.
Daarna gingen we weer in de kelder onder het politiebureau eten. Maar van eten kwam niet veel terecht, we moesten elkaar steeds aanstoten, want je viel boven het bord met eten in slaap. Na het eten gingen we weer met de vrachtwagens op stap. Nee, niet naar Lage Mierden, maar naar een kamp in Mook-Middelaar, dat intussen voor ons in gereedheid was gebracht. Voordat ik echter kon gaan slapen, werd ik bij de commandant op het matje geroepen. Ik had daar niet z’n fijn gevoel over, want ik was mijn pet kwijtgeraakt en dat werd als zeer slordig bestempeld. Overste Mallo ontving mij echter heel vriendelijk; ik mocht zelfs gaan zitten, iets wat zeer ongewoon was: je nam in het bijzijn van een meerdere altijd de houding aan. In het gunstigste geval kreeg je dan het commando ‘plaats rust’. Het was heel vreemd allemaal; hij vroeg mij naar mijn familieomstandigheden. Ik wist niet meer hoe ik het had. Maar na nog wat inleidende woorden, vertelde hij mij dan toch dat een halfbroer van mijn moeder, mijn oom Jo, bij het bombardement om het leven was gekomen. Ik heb de commandant toen gevraagd of ik dan meteen naar huis zou mogen. Dat achtte hij op dat moment niet verantwoord, maar de volgende morgen na het ontbijt mocht ik direct vertrekken.
Dat was ik dan ook stellig van plan, maar ik werd pas rond het middaguur wakker. Na het middagmaal ben ik toen naar huis gaan lopen; met openbaar vervoer was dat toen niet te doen. Thuis gekomen was er natuurlijk grote droefheid, oom Jo was maar vijf jaar ouder dan ik; wel erg jong om te sterven. Mijn oom was inmiddels op het Algemene Kerkhof bijgezet, zoals dat heette, ik heb dus zonder het te weten, een graf voor mijn oom gegraven. Na vier dagen verlof moest ik weer in Mook-Middelaar zijn en daar ben ik tot het eind van mijn diensttijd gebleven”.
Toen Jo na het bombardement niet naar huis kwam vreesde men het ergste. Adrianus Kors Hofman, Marie’s zwager nr. 3 op de trouwfoto, is vervolgens naar Nijmegen gegaan om te kijken of hij informatie kon vinden over Jo. Uiteindelijk heeft hij na enige tijd vragen en zoeken de locatie waar Jo opgebaard lag gevonden. In de Vereenigingsgebouwen (huidige Schouwburg) waren alle lichamen verzameld. Uiteindelijk heeft hij het lichaam van Jo gevonden, die was echter zo onherkenbaar dat hij Jo aan de hand van diens portefeuille moest identificeren. De verslagenheid in Wijchen was groot toen de bevestiging kwam van Jo’s overlijden. Jo is in eerste instantie begraven in Nijmegen echter enkele dagen later is hij met nog 12 anderen alsnog opgehaald om vervolgens, na een mis in de St. Antonius Abt te Wijchen, begraven te worden op de Rooms Katholieke begraafplaats bij het huidige grafmonument ter herinnering aan het bombardement in Nijmegen.
Miem is nadat ze vernomen had dat Jo was omgekomen vertrokken naar een tante in Schoonebeek om daar haar verdriet te verwerken. Na een tijdje bij haar tante te hebben gewoond keerde Miem terug naar Wijchen waar ze zo goed als kwaad het leven weer oppakte. Na de oorlog leerde ze Joke Toonen kennen. Ze werden een stel en op 19 december 1947 trouwden ze. Joke was Engelandvaarder en kwam in 1944 op zijn 18e terecht bij de Prinses Irene Brigade hij genoot zijn opleiding in Engeland. Jo vertrok na D-Day vanuit Engeland naar Normandië. Bij Arromanches kwam hij met zijn eenheid aan land. Na maandenlang de vechtende eenheden te hebben gevolgd kwam Jo’s eenheid in de nacht van 22 op 23 april bij Hedel zelf in gevecht met de Duitsers. 12 kameraden van Jo sneuvelden tijdens deze strijd en velen raakten gewond. Joke heeft hier zware trauma’s aan overgehouden. Joke en Miem kregen samen 5 kinderen 3 dochters en 2 zonen. Margot 28 mei 1948, Mia 22 februari 1950, Janny 29 december 1953, Joke 13 december 1958, Haike 31 december 1962. Miem heeft altijd een warm plekje in haar hart gehouden voor Jo Knijf. Zij sprak veel over hem binnen het gezin waardoor hij altijd “aanwezig” was, zeker ook omdat Mia, Miem’s 2e dochter, op de sterfdag van Jo Knijf is geboren. Verdriet en vreugde gingen hierdoor op 22 februari hand in hand in huize Toonen. Miem en Joke hadden een goed huwelijk ze hebben tot aan de dood van Miem op de Valendries gewoond op de Haagdoornstraat 16. Miem kreeg last van haar hart en werd door Joke die hierdoor eerder met pensioen mocht, liefdevol verzorgd. Miem is op 28 juli 1989 op 68-jarige leeftijd door hartfalen te Wijchen overleden. In haar versje op haar bidprentje wordt gerefereerd naar haar verdriet dat ze tijdens de oorlog heeft ondervonden. Na haar overlijden vertelde Joke dat de spil in zijn leven weg was. Joke is op 8 februari 2015 overleden hij is 89 jaar geworden. Wat er uiteindelijk met de trouwringen die Jo Knijf heeft laten maken gebeurd is, is niet bekend.
De stiefmoeder van Jo is door de geallieerden aangereden Ze heeft hier een houten been aan overgehouden. Zij is 99 jaar oud geworden en is in 1982 overleden. Doordat ze niet geliefd was gebeurde het dat toen Josephus Knijf overleed er bijna niemand op zijn begrafenis was om haar tot steun te zijn.
